kunstsmit.nl

Het Oog van de Wereld

Nederland in de Gouden Eeuw

  Titel : Het Oog van de Wereld
  Ondertitel : Nederland in de Gouden Eeuw
  Auteur : Frans Smit
  ISBN : 9789065560155
  Uitgever : De Ster
  Aantal Pagina's : 334
  Uitgegeven in : 1992
  Beschikbaarheid : Uitverkocht. Antiquarisch beschikbaar

Over de publicatie

Dit boek behandelt de spirituele achtergronden van Nederland in de Gouden Eeuw. Voorafgaand wordt de culturele identiteit van Nederland onderzocht, o.a. aan de hand van de middeleeuwse sage van de Zwanenridder. Ook het meest gedrukte geschrift dat hier ooit verscheen, de Navolging Christi van Thomas à Kempis, en de beweging van de Moderne Devotie spelen een belangrijke rol in de late Middeleeuwen. Speciale aandacht gaat uit naar twee prominente figuren die de overgang naar de 17e eeuw inluiden: Erasmus en Coornhert. In de Gouden Eeuw is de jonge republiek op enkele gebieden een pioniersland en krijgt zij, mede door de uitvinding van zowel de telescoop als microscoop, een tijdelijke, vooraanstaande plaats als “oog” van de wereld.

Daarenboven is Nederland in de 17e eeuw een ontmoetingsland, waar bijvoorbeeld gevluchte joden en Hugenoten domicilie vinden, maar ook een heel scala aan sekten en spirituele bewegingen als de Rozenkruisers en Collegianten een vrijplaats veroveren. In een kort tijdsgewricht, dat nog geen honderd jaar heeft geduurd, nam Nederland een leidende positie in Europa in, waar de handel nieuwe wegen insloeg met de Amsterdamse beurs en de V.O.C., waar vrijdenkers van allerlei snit hun geschriften publiceerden, waar de belangrijkste filosofen van hun tijd, Spinoza en Descartes, werkzaam waren, waar de dichtkunst floreerde in de rederijkerskamers en Muiderkring en, last but not least, de schilderkunst, gefinancierd door de gegoede burgerij, haar jaren van grootste bloei en ongekende productie kende.

Fragment uit 'Het Oog van de Wereld'

“Tijdens en na het tijdperk van de grote ontdekkingsreizen wordt de wereld opengelegd door het zoeken naar nieuwe verbindingswegen; de wereldhandel wordt geboren, en daarmee een radicaal vernieuwde kijk op de wereld. Tegelijkertijd wordt de innerlijke wereld heftig bewogen: er ontstaat een religieuze gisting, een streven naar eigen verantwoording, naar zelf-autoriteit. Dus zowel een nieuwe veruiterlijking als een nieuwe verinnerlijking. Hoe valt deze ontwikkeling nu op kleine schaal, op Nederlands territorium, af te lezen? Wat opvalt is de uiterlijke kant van de zaak: het zelfstandig worden van de natie, het ontstaan van de moderne staat uit idealen. De ontdekking van de wereld, de zeetochten naar alle vier de windrichtingen, de uitbouw van de wereldhandel. Wetenschappelijke uitvindingen die rechtstreeks met de waarneming samenhangen, hulpmiddelen bij het vergroten en verkleinen van de oogmaat: zowel de microscoop als telescoop zijn in Nederland uitgevonden. Op kunstzinnig terrein de ‘schilderkunst van de waarneming’, het realisme, in opdracht van de gegoede burgerij, die de kunstwerken tot in de keuken ophing. Naast deze uiterlijke aspecten doet zich op innerlijk terrein de reformatorische strijd voor, en wordt Amsterdam het wereldcentrum van nieuwlichters, ketters en andere ‘stiefkinderen van het christendom’. Aanvankelijk is er geen sprake van één natie. In naam werd ons land een republiek, feitelijk was het een verzameling van provinciën waarin de steden een onafhankelijke rol speelden. Er was geen centrale vorst; er waren stadhouders wier positie en macht fluctueerden. De Nederlanden waren een soort proefstation voor allerlei nieuwe ontwikkelingen. Nederland werd een pioniersland en een ontmoetingsland.”